1. Home
  2. Nieuws
  3. Verschenen columns
  4. Oplosbare en onoplosbare problemen voor toezicht

Oplosbare en onoplosbare problemen voor toezicht

 

Een recent FD artikel (11 aug. 2018) beschrijft een voor toezichthouders bekend probleem van een negatieve waardering van de toezichthouder omdat deze teveel of te weinig zou hebben gedaan. Zie:

https://fd.nl/cookiewall?target=%2Fweekend%2F1265014%2Fde-toezichthouder-heeft-het-altijd-gedaan.  In het artikel geven twee commentatoren, Judith van Erp en Femke Halsema, aan dat de nationale inspecties het weliswaar steeds beter doen, maar is pluimveehouder Maassen nog steeds boos als slachtoffer voelt van de inspectie, die enerzijds te weinig deed, anderzijds teveel.

Wat moeten toezichthouders hier mee? Wanneer doen toezichthouders het goed of fout? Of ligt ‘de fout’ eerder bij het publiek of de media of de politiek die onterechte criteria hanteren of de schuld ten onrechte eenzijdig bij inspecties leggen? Dit laatste frustreert Jan van den Bos, voorzitter Inspectieraad.
 

Ik denk dat er fundamentele dilemma’s spelen die niet zo makkelijk oplosbaar zijn. Ik zie er drie, maar er zijn er vast meer:

  1. toezicht wordt gezien als uitvoering in de trias politica functiescheiding en de inspecties maken organisatorisch-hiërarchisch deel uit van ministeries; door deze positionering mogen inspecties zich niet bemoeien met beleid en wetgeving, mogen ze zich niet sterk en eigenstandig mengen in maatschappelijke discussies over wat goed toezicht is en wanneer toezicht dan wel de publieke opinie fout zit; en mogen ze eigenlijk ook geen zelfstandig beleid (anders dan toezichtsbeleid) voeren, laat staan een sterk preventief, niet direct op wettelijke normen gebaseerd beleid.
  2. wat zijn nu eigenlijk de goede criteria voor toezicht; moeten die rekening houden met alleen de wet (zie toezicht als uitvoering) of ook met maatschappelijke belangen en risico’s als die niet in de wet zijn geformuleerd; anders gezegd; houdt een toezichthouder nalevingstoezicht op individuele bedrijven, risicotoezicht op de branche of een (inter)nationaal stelsel-toezicht? Zijn deze criteria objectief (vakmanschap) of subjectief (de opinies van doelgroepleden, de pers of de politiek)?
  3. verantwoordelijkheidsverdeling; hoe kunnen we verantwoordelijkheden (vooraf!) zo formuleren, dat de kansen op overtreding, risico en spelbederf minimaal zijn? Zijn verantwoordelijkheden wel helder; waar wel, waar niet? Wanneer is een verantwoordelijkheid, primair of secundair en waar is er sprake van gezamenlijke verantwoordelijkheid (coresponsibility)?

    Zonder de pretentie dat ik hiermee de genoemde dilemma’s oplos (daarvoor zijn het ook dilemma’s), opper ik, dat er eigenlijk twee problemen voor toezichthouders zijn, die niet helemaal uit elkaar worden gehouden in het artikel. Deze twee vragen lopen dwars door de dilemma’s heen;
  4. hoe doe je het als toezichthouder professioneel goed (niet teveel en niet te weinig, juiste strategie en interventie e.d.) en;
  5. wanneer doe je het goed in de ogen van de doelgroep en het publiek (niet teveel en niet te weinig, niet te streng en niet te slap).

ad 1. Het eerste probleem is oplosbaar en ook voor  de bulk van de toezichtsgevallen (de grote meerderheid van terugkerende, op collectief niveau redelijk voorspelbare problemen van naleving en risico) opgelost. Je doet het als toezichthouder goed, als je de adequate toezichtscyclus volgt, omdat dan voorzien is in alle noodzakelijke elementen die deel uitmaken van goed toezicht; analyse, prioriteit, strategie, uitvoering en lering (zie mijn boek Goed Toezicht*). In individuele gevallen kan het dan wel eens slecht uitpakken (een incident, herhaling van overtreding) en tot onvrede leiden, maar dat betekent niet dat de toezichthouder het slecht gedaan heeft.

ad 2. Het tweede probleem is voor een deel onoplosbaar, omdat de doelgroep en publiek uit verschillende deelgroepen van belangen en opinies bestaat. Het goed doen in de ogen van de één, betekent het fout doen in de ogen van de ander. Voorzover een toezichthouder hier rekening mee moet houden of wil houden, is een gebalanceerd afweging van belangen en stakeholders (common sense en methodiek!) de beste, zelfs enige, strategie. Ook hier betekent het voorkomen van incidenten en onvrede bij sommige stakeholders niet dat de afwegende toezichthouder het fout gedaan heeft.

In beide gevallen fungeren incidenten niet als afrekenmomenten maar als leermomenten; niet het incident ontkennen, niet verontschuldigen, maar ter harte nemen. Als de volksvertegenwoordiging en de media zich die wijsheid nu ook eigen maken en zich minder op individuele gevallen concentreren en meer op de grote lijn (het FD artikel is naar deze maatstaven juist een mooie balans!), dan komt alles goed.

Het kan dus nog even duren!

Dick Ruimschotel, sept. 2018

 

* Goed Toezicht; principes van professionaliteit, democratie en good governance (Mediawerf, 20140).

Ruimschotel is directeur van CMC/T11 Company (www.t11.net)  

Hij is bereikbaar voor reacties: ruimschotel@t11.net